Ik ben het derde kind van mijn ouders. Mijn twee oudere zussen zijn er niet meer. Alle twee zijn ze dood. Soms hoor ik mijn moeder huilen, nee janken is eigenlijk een betere omschrijving, over het verlies van haar beide dochters. De dood van mijn zussen stemt mijn moeder vaker wel dan niet zwaarmoedig. Op die momenten ontwijk ik haar.

    Mijn slaapkamer, de enige plek waar ik me kan terugtrekken, daar heeft mijn moeder een babyfoon geplaatst. Hij staat op de vensterbank en als ik aan het spelen ben in mijn kamer – met mijn poppen – dan zet ik hem altijd uit. Maar ’s nachts, als ik net in slaap ben gevallen is het kreng, zoals ik de babyfoon ben gaan noemen, weer aan. Het minste of geringste kuchje zorgt ervoor dat er dan iemand in mijn slaapkamer komt. Meestal mijn moeder. Dan kijk ik door de spleetjes van mijn ogen naar haar gezicht. En zie dan een verwrongen gelaat vol van zorgen.

    Ik volg haar als ze door mijn kamer schuifelt. Sluit snel mijn ogen en doe net alsof ik slaap wanneer ze mijn ademhaling controleert.

    Mijn twee zussen zijn beiden aan wiegendood overleden. Al waren ze volgens de statistieken daar al veel te oud voor. De dokter kon geen andere verklaring geven, dus was het wiegendood.

    Vaak streelt mijn moeder me door mijn lange blonde haren. Eigenlijk is mijn haarkleur veel donkerder dan ik nu heb, maar mijn moeder kleurt het. “Zo”, zegt ze dan, “nu lijk je veel meer op je zussen. Dat waren zulke schatten van kinderen.”

    In het begin – toen ik oud genoeg was om gesproken taal te begrijpen – was ik ontroerd. Maar nú… nu ik al veel ouder ben nu doet het me niets meer.

    Ik merk aan mezelf de laatste tijd dat ik anders naar mijn moeder ben gaan kijken. Niet meer liefdevol zoals vroeger. Gewoon anders. Als ze me roept voel ik tegenzin om erop te reageren. Laatst betrapte ik me erop dat ik haar aankeek en haat in me op voelde borrelen. Vooral als ze weer eens langdurig mijn door haar gekleurde haren aan het borstelen was. Het meest irritante daarvan is dat ze iedere borstelstreek telt… 32, 33, 34… argh. Gek word ik daarvan. Helemaal als ze ondertussen eindeloos tegen me aan het praten is over koetjes en kalfjes. Maar ja, denk ik dan, tegen wie moet ze anders praten? Ik laat het maar gebeuren.

    Ik krijg thuisscholing van haar. Ben niet anders gewend. Speel nooit, maar dan ook werkelijk nooit met andere kinderen. Ik zie ze wel spelen, de kinderen uit de buurt, op het veldje. Meestal wordt er daar gevoetbald. Ik kijk graag naar ze. In mijn fantasie speel ik dan met ze mee. Net zo lang totdat moeder me van het raam weghaalt. Dan moet ik weer schoolwerk maken. Of ze leert me hoe ik de naaimachine moet bedienen. Ik háát dat soort werk. Verzet me er steeds meer tegen. In eerste instantie was al mijn verzet zonder resultaat. Maar de laatste tijd lijkt het vruchten af te werpen. Mijn opstandigheid treft steeds vaker doel. Ik hoef geen jurken meer aan en mag nu ook gewoon een spijkerbroek dragen. Make-up is gelukkig al tijden uit den boze. Daar is ze mee gestopt toen ik begon te schreeuwen dat het slecht is. Dat mijn huid er nog lang niet tegen kan. Daar is ze van geschrokken. Ik zag het aan haar gezicht. Ik denk niet dat ze ooit iets zal doen wat slecht voor me is.

    Iedere dag proef ik meer vrijheid. Ik ben ervan overtuigd dat er ook andere zaken slecht voor me zijn. Bijvoorbeeld: altijd maar binnen spelen.

    Zojuist heb ik – met bonzend hart – tegen haar gezegd dat ik naar buiten wil. Om te spelen met de kinderen die ik zie als ik stiekem door het raam heen gluur. Heerlijk lijkt me dat buitenspelen, samen met andere jongens te voetballen.

    Ohh, wat schrok ze. Ik vond het heerlijk haar zo te zien schrikken. Minder leuk was de straf die ik kreeg. Ik werd wéér eens opgesloten in de donkere kast. “Nee, ik wil niet”, riep ik nog. Maar het is zoals als altijd tegen dovenmansoren gezegd. Zonder eten en drinken word ik in de kast gesmeten. Niet wetende wanneer ik er weer uit mag. Mijn hart bonst. Ik wil niet. Smeek haar het niet te doen. Ze kijkt me aan. Ik zie een gegroefd gezicht en in haar ogen de strijd die in haar woedt. Ik voel hoop. Hoop dat ze me de andere wang toekeert. Helaas, een seconde later smijt ze de deur dicht. Ik hoor de sleutel omdraaien en ben weer in het donker. In de stilte van de kleine ruimte. Wat moeder niet weet is dat ik hier niet alleen ben. Nee! Hier zijn mijn vrienden die net als ik allemaal gestraft zijn. Het zijn slechte jongens. Jongens die snel opgroeien in een leven vol misdaad. Misdaad die welig tiert in de uithoeken van de kast, die ik de onderwereld noem.

    Als ik hier ben trek ik graag met mijn vrienden op. Lekker jongens onder elkaar, toch?  Zij lachen niet als ze naar me kijken en zien dat ik ben aangekleed en dat mijn haar gekapt is als een meisje. Nee, deze jongens zijn allemaal net als ik… hard en slim. Ze willen net als ik vrij in het leven staan en dingen doen die zij en alleen zij leuk vinden.

    Met hen beleef ik de mooiste avonturen. Zie de spannendste dingen. Ja, het is goed vertoeven hier in deze wereld waar het licht nooit schijnt. Waar de duisternis heer en meester is. Hier voel ik me goed samen met mijn vrienden.

    Toch vind ik het ook fijn als het schijnsel van de lamp aan het plafond mijn ogen verblindt. Dat gebeurt altijd op het moment dat mijn moeder de deur weer opendoet. Vroeger genoot ik van haar kussen en knuffels die ze me gaf als ik er weer uit mocht komen. Meestal verblijf ik hier niet lang. Maar nu, nu blijft de deur gesloten. Langer dan normaal.

    In de verte hoor ik mijn vrienden al aankomen rennen. Allemaal stoere jongens en meiden, net als ik. Ik hoop dat Lola er ook weer bij is. Zij is het meisje waar ik van hou. Op deze momenten wil ik altijd met haar verder gaan. Verder door het leven. Maar het is nog te vroeg om het aan moeder te vertellen. Nee, dat zou ze niet kunnen begrijpen. Toch?

    Ik hoef er niet meer over na te denken. Mijn vriendengroep is gearriveerd en Lola is er bij. Ze staat voor me en kijkt me aan. Haar ogen zijn sprankelend. Ze wiegt met haar heupen. Ik omhels haar en samen met de groep vertrekken we. Gaan we op zoek naar mooie en spannende avonturen. Lola en ik rennen hand in hand. Mijn hart bloeit op als ik naar haar kijk. Ik zie in haar de vrouw die ik begeer. Ik weet bijna zeker dat als ik haar aan moeder laat zien, dat ze blij zal zijn. Ja, het wordt tijd, denk ik. Misschien is het tijd om Lola voor te stellen omdat ik moe word om haar steeds te verbergen. Misschien is het gewoon tijd om deze stap te nemen. Hoe meer ik erover nadenk, des te zekerder word ik van mijn voornemen.

    Ja, ik ga Lola voorstellen aan moeder, nadat ik haar ten huwelijk heb gevraagd. Dan weet moeder tenminste zeker dat het serieus is.

    Ik blijf staan en kijk Lola recht in het mooie poppengezichtje. Mijn vriendengroep, de harde jongens en meiden van mijn onderwereld, rennen door. Ik voel mijn hart in mijn keel kloppen.

    Lola kijkt nieuwsgierig naar mij. Dan stel ik mijn vraag.

    Haar antwoord gonst door mijn hoofd. Ik kan het bijna niet geloven. Mijn hart klopt sneller dan ooit. Ze zei Ja! Ja, ja, ja.

    Mijn vrienden zijn terug komen lopen. Allemaal zijn ze blij het goede nieuws te horen. Niet één uitgezonderd. Ze juichen ons toe. Met gestrekte handen maan ik ze tot kalmte en zeg: “Vrienden luister allemaal even heel goed naar mij.” De plotselinge stilte is oorverdovend. Ergens in mijn binnenste kruipt de twijfel omhoog. Maar ik laat het niet gebeuren. Kan niet bedenken wat ik anders kan doen. Voel dat er geen weg terug is. Hoop dat dit de juiste keuze zal zijn. Alles is immers beter dan het leven dat ik nu leef. Ik houd Lola stevig vast. Staar naar de groep vrienden die het nieuws zo mooi en goed hebben opgenomen. Wil hen niet teleurstellen. Ze kijken ook, na al die jaren, uit naar een feestje. Ik zie dat ze wachten op datgene wat ik hen ga vertellen. Ik ken ze goed die vrienden van mij. Ben blij dat ze er allemaal zijn. Mijn gehele onderwereld. Ik zeg: “Een ding beloof ik, ik beloof het jullie allemaal, op mijn bruiloft komt de hele onderwereld dansen.”

© Hugo Smienk